BLOG OVER ERFRECHT

Beyond a reasonable doubt | ‘De Notarisklerk’ mei/jun 2020

ERFGENAMENONDERZOEK: DE KERN VAN DE ZAAK

Beyond a reasonable doubt

Het is een veelgelezen passage in een verklaring van erfrecht: “Ik, notaris, heb mij er zoveel mogelijk van overtuigd dat…”

Waar de grens der overtuiging ligt, staat nergens in de wet. Deze vrije interpretatie biedt soms ruimte voor wellicht minder evidente conclusies.

Nochtans minstens van de notarissen voor wie wij inmiddels alweer bijna zeven jaar erfgenamenonderzoek verrichten in verre landen zoals Indonesië, Sri Lanka en Tanzania – maar vaker dichterbij – kan worden gezegd dat de grens der overtuiging ver ligt, soms verder dan de verre landen zelf.

Van een Utrechtse notaris komt in 2017 een casus waarin onderzoek nodig is in Hongarije. Een unicum onder unica.

The Roaring Twenties

In september van 2015 overleed te Utrecht mevrouw Mária Takács in de leeftijd van 100 jaar.

Mária wordt geboren in Boedapest, Hongarije op 30 december 1914. Zij komt in de nasleep van de Eerste Wereldoorlog (1914-1918) samen met andere kinderen naar Nederland om aan te sterken en keert later terug naar haar moederland. Na het overlijden van haar man en onder de druk van dreigende bezetting door de Russen, keert zij in 1956 echter weder naar Nederland, ditmaal samen met haar zoon Bela Jozsef. Ze is gebleven.

Bela werd geboren in 1945 in Hongarije en overleed in 1999 in de leeftijd van slechts 54 jaar. Andere kinderen zou zij naar verluidt niet hebben gekregen. Deze hypothese zou de crux vormen van ons te entameren onderzoek.

Het minuscule juridisch raamwerkje

Zij beschikte niet bij testament over haar nalatenschap, zodat het versterferfrecht stipuleert wie haar erfgenamen zijn. We blijven vooralsnog in de eerste parentele.

Uit de BRP blijkt dat er – naast Bela – nog een kind moet zijn, geboren in de jaren ’30 en woonachtig in de provincie Utrecht. De betreffende persoon beweert echter bij hoog en bij laag geen zoon te zijn van erflaatster, ofschoon a priori aan alle criteria lijkt te worden voldaan hem als zodanig te beschouwen, nu onder meer zijn moeder dezelfde naam droeg als erflaatster.

Kunnen we voetstoots afgaan op deze verklaring? Vanzelfsprekend niet; ook dat zou kunnen leiden tot een minder evidente conclusie.

Een unicum in alle opzichten

De uniciteit van deze zaak beperkt zich niet tot het vraagstuk rondom afstammelingen. Reeds ter zake de teraardebestelling doet zich een bijzonderheid voor. Het graf waarin haar zoon te ruste is gelegd blijkt namelijk niet alleen te zijn geoccupeerd door haar zoon; in het graf bevindt zich ook een onbekende derde, geheel intact. Dat maakt dat voor bijzetting geen plaats meer is. Mitsdien is erflaatster noodgedwongen begraven náást haar zoon.

‘Elementary my dear Watson’

Omdat ter discussie staat, althans vastgesteld moet worden of de zoon die geen zoon claimt te zijn dat ook daadwerkelijk niet is, nu niet slechts kan worden afgegaan op de verklaring zijnerzijds, proberen we in eerste instantie zijn geboorteakte op te vragen uit Hongarije. Dat blijkt geen sinecure te zijn; eenmaal verkregen toont de akte niets anders dan de namen van de ouders. Bij het opvragen van de huwelijksakte van de ouders stuiten we op onwelwillendheid bij het lokale overheidsorgaan, gelet op onze bevoegdheid onterecht schermend met de GDPR (AVG). Niet snel uit het veld geslagen, zetten we onze zinnen succesvol op kerkelijke archieven. De zoon is inderdaad geen zoon; zijn moeder is geboren in 1897. We schrijden voort naar de tweede parentele, de ouders van erflaatster tezamen met dier broers en zussen.

De ouders van erflaatster zijn Jozef Takács en Maria Nagy. Bij voortzetting van het onderzoek blijkt ons dat erflaatster een broer had, Ferenc. Deze vooroverleden broer die geen afstammelingen achterliet werd geboren als Takács, maar voerde later de achternaam Tökési. Moeder van erflaatster is namelijk – nadat het huwelijk met Jozef Takács in 1919 door scheiding werd ontbonden – hertrouwd met Ferenc Tökési, die vervolgens Ferenc Takács heeft geadopteerd.

Een leuke situatie; is Ferenc Takács door adoptie juridisch gezien een halfbroer geworden? Op zichzelf beschouwd is dit voor de vererving niet bezwaarlijk: ook halfbroers en -zussen kunnen erven.

De adoptie houdt geen juridische breuk met de moeder van erflaatster in, zodat afstammelingen, zo die er waren geweest, zeker door de wet tot de nalatenschap als erfgenamen zouden zijn geroepen.

Uit het huwelijk Takács-Nagy is vervolgens een dochter geboren, Julianna Tökés (de naamnotatie tussen het vrouwelijk en het mannelijk geslacht differentieert), geboren op 20 juni 1919. Zij huwde József Kobolicz in 1934, maar scheidde van hem in 1938. Ons spitwerk toont aan dat zij ofwel vóór 1975 moet zijn overleden ofwel is geëmigreerd voor die datum. Het verkrijgen van nadere informatie over Julianna is nu de status quo.

Indien en zodra we kunnen bevestigen dat zij is (voor)overleden zonder achterlating van (echtgenoot en) afstammelingen (en bij een later overlijden zonder bij testament over haar nalatenschap te hebben beschikt), verschuift de focus naar de afstammelingen van de grootouders beiderzijden.

Heeft u informatie over de familie van mevrouw Mária Tákacs? Of heeft u vergelijkbare dossiers in behandeling waarin erfgenamenonderzoek nodig is? Neemt u dan vooral contact met ons op via info@erfgenamenonderzoek.nl.

Alle persoonsgegevens in dit artikel zijn met instemming van de opdrachtgever verwerkt. Het gaat bovendien om persoonsgegevens van personen die reeds zijn overleden.

Roofkunst | ‘De Notarisklerk’ mrt/apr 2020

ERFGENAMENONDERZOEK: DE KERN VAN DE ZAAK

Roofkunst

Kunstroof maakt roofkunst. Het Van Dale Groot woordenboek der Nederlandse Taal definieert het als:

“… door een staat geroofde kunst, m.n. in de Tweede Wereldoorlog door de nazi’s van de Joden geroofde kunst.”

Het woord ‘roofkunst’ doet onwillekeurig denken aan antisemitisch gedachtengoed. Het doet denken aan het beestachtige demoraliserende optreden van de nazi’s jegens en de daaropvolgende genadeloze systematische uitroeiing van het Joodse volk. Het wijst ons op de kwetsbaarheid alles wat stoffelijk is [inclusief het menselijk lichaam] en benadrukt daarmee het ongrijpbare, de ongebroken wil[1]. Een duister hoofdstuk in onze geschiedenis, door ons veelal aangeduid als de ‘Holocaust’ of de ‘Shoah’. Toch zijn de begrippen ‘roofkunst’ en ‘Holocaust’ niet met uitsluiting van anderen voorbehouden aan het grenzeloze drama dat plaatsgreep in de levens van vele Joodse mensen. Holocaust laat zich immers kennen als volkerenmoord en kunstroof vond onder allerlei omstandigheden plaats, in tijden van oorlog, maar ook buiten oorlogstijd.

Geschiedenis van de roofkunst

Reeds in 212 v. G.J. (voor de Gewone Jaarteling, door sommigen aangeduid als voor Christus of v. Chr.) signaleerde de Griekse historicus Polybios dit fenomeen, toen de Romeinen in 212 v. G.J. Syracuse op Sicilië veroverden, diens kunstwerken roofden en naar Rome verscheepten. Ook tijdens de 18e-eeuwse kloostersluitingen, de Franse Revolutie en gedurende de Koloniale periode vond kunstroof plaats. Nog zo recent als in 2003 werd kunstroof op grote schaal gepleegd in het Nationaal Museum van Irak en Bagdad[2].

Wetgeving over roofkunst

Het Verdrag betreffende de wetten en gebruiken van de oorlog te land 1899 als resultaat van de Tweede Conventie van Den Haag in 1899, inwerkinggetreden op 4 september 1900, stipuleert in artikel 56:

“De eigendommen der gemeenten, die der inrichtingen gewijd aan openbare eerediensten, aan weldadigheid en aan het onderwijs, aan de kunsten en wetenschappen, ook al behooren deze aan den Staat, zullen worden behandeld op gelijken voet als het particuliere eigendom.

Alle inbeslagneming, opzettelijke vernieling of beschadiging van dergelijke inrichtingen, van geschiedkundige monumenten, van werken van kunst of wetenschap is verboden en moet worden vervolgd.”

Zonder daarop inhoudelijk in te gaan, noemen we nog het UNESCO-verdrag van 1970, het Verdrag ter voorkoming van de illegale in-, uit- en doorvoer van cultuurobjecten. Online kunt u nog andere wetgeving vinden.

Woman in Gold

Misschien wel één van de bekendste recentelijk succesvol gerevindiceerde kunstwerken is het portret van Adèle Bloch-Bauer I, gemaakt tussen 1904–1907 door de Oostenrijkse symbolistische schilder Gustav Klimt (1862-1918).

Door Gustav Klimt – 1. The Yorck Project (2002) 10.000 Meisterwerke der Malerei (DVD-ROM), distributed by DIRECTMEDIA Publishing GmbH. ISBN: 3936122202. 2. Neue Galerie New York, Publiek domein, https://commons.wikimedia.org/w/index.php?curid=153485

Door de inspanningen van de Amerikaanse advocaat Randol Schoenberg – als vertegenwoordiger van Maria Altmann, één van de erfgenamen van de familie Bloch-Bauer –  werd het stuk in 2006 na een slepende rechtszaak van 8 jaar heroverd op de Oostenrijkse staat.[3]

Onze casus

Uit de Verenigde Staten komt de vraag of wij erfgenamenonderzoek kunnen verrichten met betrekking tot een Joodse familie en behulpzaam kunnen zijn bij het indienen van een claim ter zake roofkunst. Het gaat om een kunstobject met een zeer substantiële waarde.

Yes, we can.

Voorgelegd wordt de casus van mevrouw L., een in 1944 in concentratiekamp Bergen-Belsen omgebrachte Joodse vrouw van Nederlandse afkomst.

Zij heeft niet bij testament over haar nalatenschap beschikt; haar erfgenamen zijn in beginsel haar broers en zussen. Zoals altijd bij erfgenamenonderzoek in Joodse zaken, zijn (bijna) alle erfgenamen vrijwel direct vóór of kort na erflaatster overleden of op een onbekend moment.

Eén zus overleed in 1945 (Bergen-Belsen) en beschikte bij testament over haar nalatenschap. Zij was toen erflaatster overleed al weduwe. Een andere zus overleed al in 1943 (Auschwitz[4]). Zij kreeg geen afstammelingen. Ook een broer overleed vóór erflaatster, te weten in 1942, weliswaar met achterlating van afstammelingen. Een andere broer wist naar de Verenigde Staten te ontsnappen en overleed daar in de jaren ’60, in de leeftijd van ruim 80 jaar. Zijn echtgenote overleed in 1944, net als erflaatster, maar kort ná haar. Gekeken zal moeten worden naar het huwelijksvermogensrecht om de vererving nauwkeurig te kunnen bepalen. Tot slot overlijdt een laatste zus in 1936, met achterlating van twee afstammelingen die in respectievelijk 1943 en 1945 overleden, in Sobibor[5] en in Berlijn, beiden nog geen 40 jaar oud. Een veelvoorkomende rechtsfiguur bij dergelijke onderzoeken is de commoriëntenregel, u ongetwijfeld bekend. Door het feitencomplex van onder meer gelijktijdig geacht te zijn overleden personen, geëmigreerde familieleden en latere (buitenlandse) overlijdens waarbij testament en huwelijksvermogensrecht moeten worden onderzocht is er in dit coronatijdperk voldoende zinvols te doen dat afleidt van het opgedoemde gevaar.

[1] De film ‘Woman in Gold’ (2015) is gebaseerd op Schoenbergs kruistocht tot herkrijging van dit fenomenale kunstvoorwerp;
[2] Bedoeld wordt concentratiekamp Auschwitz-Birkenau in Polen
[3] Bedoeld wordt concentratiekamp Sobibor in Polen
[4] Bron: Wikipedia: https://nl.wikipedia.org/wiki/Roofkunst
[5] Zie ook de gebalde vuist van het monument ‘De Stenen Man’, te zien in voormalig Kamp Amersfoort

De vrouw die geen familie had | ‘De Notarisklerk’ jan/feb 2020

ERFGENAMENONDERZOEK: DE KERN VAN DE ZAAK

De vrouw die geen familie had

Op 12 maart 2016 overlijdt te Purmerend, de in 1924 geboren mevrouw De N. als weduwe van de reeds in 2010 overleden de heer Van der L.

Zij heeft bij (nog handgeschreven) testament de dato 22 oktober 1956 over haar nalatenschap beschikt. In dit testament benoemt zij, voor zover zij na haar echtgenoot en zonder achterlating van afstammelingen mocht komen te overlijden, tot haar enige erfgenaam haar moeder.

Expliciet vermeld in het testament wordt dat onder alle omstandigheden haar vader wordt uitgesloten als erfgenaam.

Oudtestamentische verhandelingen

In diverse gesprekken over onder meer het opmaken van een nieuw testament verklaart erflaatster desgevraagd steeds, ondanks ampele toelichting door de notaris, het nut van een nieuw testament niet in te zien. “Mijn man en mijn moeder zijn al overleden en kinderen heb ik niet. Verder heb ik helemaal geen familie, dus het geld zal wel naar de overheid gaan. Het is goed zo.

Nu haar moeder reeds vele jaren voor erflaatster is overleden en erflaatster geen afstammelingen achterliet, sorteert het testament geen effect en vallen we terug op het versterferfrecht nieuw regime, dat in artikel 4:10 BW stipuleert wie tot de nalatenschap als erfgenamen uit eigen hoofde worden geroepen. We gaan hierbij uit van een onmiddellijke werking zonder afwijkende te eerbiedigen bepalingen(vgl. art. 68a Ow jo. art. 4:46 BW). Erfgenamen in de eerste en tweede parentele vinden we niet, ook niet bij plaatsvervulling.

Familia ante omnia (familie voor alles)

In het algemeen geldt: hoe verder terug, hoe talrijker de vruchten. We gaan terug naar respectievelijk 1851 en 1853, naar de Amsterdamse grootouders beider zijden. Daarbij moeten we putten uit het bevolkingsregister van vóór de invoering van de gezinskaart. Het bestuderen van een ouderwets met keurige pen opgetekende administratie valt ons ten deel.

Aan vaderskant treffen we het relatief bescheiden aantal van zeven afstammelingen aan, zeven ooms en tantes van erflaatster, allen vooroverleden, waarvan er niet minder dan vijf kinderloos zijn overleden. Dat erflaatster naar eigen zeggen “geen familie had” lijkt nu, zo op het eerste oog, wel te volgen. Nu er aan vaderszijde afstammelingen in beeld zijn die bij plaatsvervulling erven, hoe gering in aantal ook, blijven we in de derde parentele. Het opklimmende karakter van artikel 4:10 BW brengt immers met zich mee dat erfgenamen in een lagere parentele mogelijke erfgenamen in een hogere uitsluiten, zelfs indien aan moederszijde in die parentele geen erfgenamen worden aangetroffen.

Dat was wel anders onder het erfrecht oud regime, waar kloving gold bij het voorbijgaan aan de ouders, ten gevolge waarvan vaders- en moederskant ieder een afzonderlijk erfrechtelijk leven gingen leiden (vgl. art. 4:897 OBW). Zo konden aan moederskant erfgenamen in de derde (vgl. artt. 4:900 en 4:901 OBW) en aan vaderskant in de vierde parentele (vgl. artt. 4:901 en 4:905 OBW) worden vastgesteld. Met de komst van artikel 4:11 lid 1 BW is kloving (gelukkig) uit ons erfrecht verdwenen.

Daar plukt u de vruchten van

Kennelijk was er geen (goed) contact met de familie aan moederskant, want die was aanmerkelijk vruchtbaarder met niet minder dan dertien kinderen. Deze dertien Geschwister kregen tezamen maar liefst drieënveertig afstammelingen hetgeen resulteert in minimaal negenenzeventig erfgenamen aan moederszijde alleen.

Ik noem bewust “minimaal”, omdat het onderzoek ons onder meer voert naar de Verenigde Staten, Zuid-Afrika en Indonesië. Het in kaart brengen van deze erfgenamen is geen sinecure. Wat ook een rol speelt in deze nalatenschap is het later overlijden van een aantal erfgenamen in het buitenland. Het erfdeel uit de nalatenschap van erflaatster valt daardoor in dier boedel, waarop in beginsel het erfrecht van het betreffende land van toepassing is.

Exotische boedels

Dit kan leiden tot een vererving naar het (versterf)erfrecht van het betreffende buitenland, waarop mogelijk volledig andere spelregels van toepassing zijn. In Indonesië bijvoorbeeld, kent men drie soorten erfrecht; het civiele erfrecht, dat voor het grootste deel overeenstemt met het erfrecht zoals dat in Nederland gold vóór 1 januari 2003, het inheems gewoonterecht en het Islamitisch erfrecht, toepasselijk al naar gelang de aard en omstandigheden van de overledene.

In de eerste plaats zal moeten worden gecontroleerd of er een testament is; in landen waarin een testament rechtsgeldig onderhands kan worden opgemaakt kan dit een heel nieuw probleem te berde brengen.

Kan worden vastgesteld dat het versterferfrecht van toepassing is, dan dient zich de vraag aan of met (aan) zekerheid (grenzende waarschijnlijkheid) kan worden aangetoond hoeveel afstammelingen iemand heeft gekregen; in landen zonder centraal bevolkingsregister zoals de Verenigde Staten, is dit een uitdaging. Afschriften van en uittreksels uit akten van de Burgerlijke Stand kan men alleen dan opvragen wanneer de aanvraag betrekking heeft op (een) specifiek(e) perso(o)n(en) (dit neigt naar ons artikel 1:23b lid 3 BW). Een bijkomend probleem kan zijn dat verschillende rechtsstelsels een bepaalde graad van verwantschap verplicht stellen voor het kunnen opvragen van akten van de Burgerlijke Stand. Met ander woorden, de notaris is niet altijd toereikend bevoegd.

Kwalificerende kwantiteiten

In de nalatenschap van erflaatster moesten reeds meer dan 300 bloedverwanten(!) – althans personen die tot erflaatster in een familierechtelijke verhouding staan of stonden – in kaart worden gebracht om tot een tussenconclusie te kunnen komen.

Verder heb ik helemaal geen familie.” Een uitdrukking van eenzaamheid? Hoe laat familie zich definiëren? Het antwoord lijkt zich in het hart van de zich deze vraag stellende persoon te bevinden. Bloedverwanten had erflaatster in overvloed, maar of ze familie had blijft een vraag waarop we het antwoord niet meer kunnen kennen. Het onderzoek spoedt zich ten einde, de afronding van de nalatenschap nabij.

To be or not to be | ‘De Notarisklerk’ nov/dec 2019

Erfgenamenonderzoek – de Kern van de zaak

(Als gepubliceerd in De Notarisklerk van november-december 2019)

To be or not to be

To be or not to be, that is the question.”, zo spreekt de Deense prins Hamlet in William Shakespeares befaamde gelijknamige toneelstuk, terwijl hij contempleert over de kwellingen des levens en de obscuriteit van de eeuwige jachtvelden.

Shakespeare raakt hiermee de kern van het erfrecht. Immers, de in artikel 4:9 BW gecodificeerde bestaanseis ab intestato luidt:

Ten einde als erfgenaam bij versterf te kunnen optreden, moet men bestaan op het ogenblik dat de nalatenschap openvalt.

Voor het testamentaire erfrecht kijken we naar artikel 4:56 lid 1 BW. Hier heeft te gelden:

Om aan een making een recht te kunnen ontlenen, moet men bestaan op het ogenblik dat de nalatenschap openvalt.

Existentiële uitingen

Maar wanneer bestaat men?

Cogito, ergo sum” [ik denk, dus ik ben], zo redeneert filosoof René Descartes in diens werk Principia Philosophiae, daterend van 1644.

Augustinus schrijft “Si fallor, sum” [als ik mij vergis, ben ik] en binnen de vrijmetselarij kent men het adagium ‘Ken uzelve’. Allemaal uitingen van geestelijk bestaan, maar erfrechtelijk gezien bieden zij geen soelaas; ons erfrecht richt zich op het corpus, het lichaam van ons zijn.

Bestaan wordt in beginsel juridisch gedefinieerd als het (lichamelijk) ‘in leven zijn na geboorte’. De enige uitzondering hierop vindt zijn oorsprong in de nasciturus-regel, in ons rechtsstelsel vervat in artikel 1:2 BW:

Het kind waarvan een vrouw zwanger is wordt als reeds geboren aangemerkt, zo dikwijls zijn belang dit vordert.

Indien de volgorde waarin de een ophoudt te bestaan en de ander het tijdelijke voor het eeuwige heeft verwisseld niet kan worden bepaald geldt volgens de commoriënten-regel dat zij geacht moeten worden gelijktijdig te zijn overleden (zie artikel 4:2 BW).

Can’t prove a negative

Het niet-bestaan van iets kan niet worden bewezen, aldus de Oostenrijks-Britse filosoof Karl Raimund Popper (1902-1994). Hierdoor rijst de vraag: wat te doen als kan worden vastgesteld dat iemand is geboren, doch niet dat hij op het moment van het openvallen van een nalatenschap reeds is overleden? Of later is overleden?

Afdeling 1.18.2 BW handelt over personen wier bestaan onzeker is. In een dergelijk geval kan men de rechtbank verzoeken tot oplegging van de last van oproeping van de vermiste om vast te stellen dat deze in leven is. Mocht daarvan niet blijken dan geldt het rechtsvermoeden van overlijden. Noodzakelijk is wel dat alsdan minimaal vijf jaren zijn verstreken na vertrek of laatste waarneming bij leven.

Een duistere toekomst

Houdt een duister verleden ook altijd een duistere toekomst in?

Zo dient zich aan van een Nederlandse notaris, de zaak van de heer J. (1919) die laatst werd gezien in 1946 en nadien naar verluidt naar Duitsland zou zijn vertrokken. De heer J. was gedurende de Tweede Wereldoorlog lid van de Waffen SS, een paramilitaire organisatie die later een volwaardig deel werd van de Wehrmacht. Ook de lijfwacht van Hitler behoorde bijvoorbeeld tot de Waffen SS.

Onze hoofdpersoon was op grond van artikel 7 lid 3 van de wet 92 de Nederlandse nationaliteit ontnomen, zodat hij per datum uitspraak vogelvrij was verklaard. 

Essentieel is dat wordt vastgesteld wat er van hem geworden is, nu zijn afwezigheid de afgifte van een verklaring van erfrecht in de weg staat en bovendien de verdeling van een gemeenschap waaraan niet alle deelgenoten hebben deelgenomen ex artikel 3:195 lid 1 BW nietig is.

De metaforische naald in de hooiberg

Dat een duister verleden welzeker een duistere toekomst kan inhouden blijkt wel uit het gegeven dat veel na de oorlog naar Duitsland afgereisde oorlogsmisdadigers in dienst traden van de Stasi, het Ministerium für Staatssicherheit van de Deutsche Demokratische Republik (DDR).

Aldus richtten wij ons onder meer tot het Stasi-Unterlagenbehörde in Berlijn om uit te zoeken of zijn naam voorkomt op de lijst van medewerkers. Het antwoord luidt negatief. Specifieke archieven met betrekking tot de Wehrmacht gaven ook geen nadere informatie.

Voorts leverde onderzoek in de archieven van de Deutsche Dienststelle (WASt) enerzijds en een opsporingsverzoek bij International Tracing Service in Bad Arolsen en het Rode Kruis anderzijds evenmin het gewenste resultaat op.

Tot slot kwam zijn naam niet voor in het Militärarchiv van Das Bundesarchiv en leidde onderzoek in Ludwigsberg, waar documenten aangaande oorlogsmisdadigers worden bewaard, ook tot niets.

We schreven verschillende mensen met dezelfde achternaam in Duitsland aan, in de hoop wellicht een afstammeling op het spoor te komen, maar ontvingen nimmer een antwoord. Und jetzt? Slechts het doen doodverklaren, dat wil zeggen de toepassing van het rechtsvermoeden van overlijden rest ons. Natuurlijk liefst vóór de overlijdensdatum van erflater en zonder achterlating van afstammelingen.

Daartoe dient door een Duitse advocaat primair een beroep te worden gedaan doen op § 2 Verschollenheitsgesetz.

Voor wat betreft het niet bestaan van afstammelingen merken we op dat het huidige § 352 d FamFG (vroeger § 2358 BGB) uitkomst kan bieden. Op de voet van dat artikel wordt namelijk de zoektocht naar onbekende erfgenamen vastgelegd; in ons geval de vermoedelijk non-existente afstammelingen van onze alsdan doodverklaarde hoofdpersoon.

Deze procedure is nu aanhangig gemaakt.

Ich wünsche Ihnen frohe Weihnachten und ein gutes neues Jahr!

Column ‘De Notarisklerk’ sep/okt 2019

Erfgenamenonderzoek – de Kern van de zaak

Als gepubliceerd in Vaktijdschrift De Notarisklerk, uitgave september/oktober 2019

Familie kun je niet kiezen

“Familie kun je niet kiezen”, zegt men weleens. En dat is zeker waar!

Mochten uw ouders ervoor hebben gekozen om een broer of zus op de wereld te zetten, dan kunt u daar weinig aan doen. Hij of zij is een bloedverwant van u die levenslang rondloopt met een stukje DNA identiek aan het uwe. Voor sommigen is dat heel fijn, maar voor anderen is het een bron van narigheid.

Wat een feest!

Nederland heeft onlangs “Nationale Broer en Zus-dag” gevierd en op 30 september 2019 werd ter zake een opmerkelijk artikel door Hart van Nederland gepubliceerd.

1 op de 10 Nederlanders wil broer of zus inruilen” luidt de titel. Het artikel beschrijft een studie waaruit blijkt dat van de “ruim 1000 ondervraagden” net onder de 20 procent ruzie heeft met een broer of zus.

Hoewel de studie suggereert dat men rond het 65ste levensjaar de familiale banden wil versterken, heeft niettemin “17 procent van 65-plussers geen contact meer met hun broer of zus”.

Binnen het notariaat zal dit artikel weinig nieuws aan het licht brengen. De niet zelden fragiele band tussen broers en zussen wordt danig op de proef gesteld tijdens het afwikkelen van een nalatenschap. Zoals de Franse schrijver en Nobelprijswinnaar François Mauriac (1885-1970) in 1953 al schreef:

Beproeving toont nooit het gezicht dat we verwachten.”, waarvan akte!

Als het om pecunia gaat kunnen wezenlijk tegenstrijdige belangen al snel leiden tot een onherstelbare kloof in de relatie tussen broer en zus. Regelmatig gaat dit gepaard met de oprakeling van ‘oud zeer’, van tijdens het leven van vader of moeder stilgezwegen verwensingen en gecumuleerde onderhuidse irritaties, die opdoemen als dei ex machina.

Reün- en ruzietjes

Als erfrechtelijk onderzoeker ligt het op mijn pad om bloedverwanten weer bij elkaar te brengen. Dat gebeurt vaker in mijn stamboomsoftware dan in de echte wereld, maar zo nu en dan maakt een (postume) reünie juist deel uit van het onderzoek. Een onderzoek dat mij is bijgebleven betreft de nalatenschap van meneer H. uit Amsterdam.

Begin 2019 kreeg ik van een Nederlandse notaris de opdracht om vast te stellen wie de erfgenamen zijn van een in 1929 in de Verenigde Staten geboren, vervolgens in Amsterdam als Nederlander overleden man van Joodse afkomst. Slechts de namen van zijn ouders waren mij op dat moment bekend.

De notaris leverde daartoe de nodige stukken aan, u weet wel welke. Vermoedelijk ging het om een nalatenschap ab intestaat; in Nederland was er geen testament, maar het stond nog niet vast dat er ook in de Verenigde Staten geen testament was opgemaakt.

Dat zijn erfgenamen in de Verenigde Staten gezocht moesten worden werd sterk vermoed, aangezien erflater – wiens levensstijl afweek van wat in de jaren van zijn jeugd door de samenleving als acceptabel werd beschouwd – ten tijde van zijn overlijden voor zover bekend gehuwd was noch kinderen had. Het onderzoek nam nog diezelfde dag een aanvang en leidde mij al snel naar de huishoudens zoals die in de tienjaarlijkse volkstellingen in de Verenigde Staten worden bijgehouden; in dit geval betrof het de volkstelling van 1940. Erflaters achternaam is een veelvoorkomende dus ik had weinig hoop precies dit gezin te zullen aantreffen, maar ik had mazzel(tov).

In 1940 woonde de familie H. in Queens, New York. Het gezin bestond uit de ouders en twee kinderen; twee broers, waarvan erflater de oudste was. Het jongste kind was in 1940 zes jaar oud, hetgeen betekende dat hij omstreeks 1934 geboren moest zijn en dus best nog eens in leven zou kunnen zijn.

Een postume reünie

Na een kleine zoektocht vond ik het adres en telefoonnummer van de broer. Gelet op het tijdsverschil, besloot ik pas de volgende dag een poging te zullen doen hem telefonisch te bereiken. Zodoende had ik daags daarna zowaar meneer H. aan de lijn, die direct beaamde dat erflater zijn broer was. Hoewel ik natuurlijk droevig nieuws moest overbrengen, was hij vooral heel erg blij dat ik contact met hem had opgenomen. Uiteraard betreurde hij het overlijden van zijn broer, maar het deed hem goed te vernemen wat er van hem geworden was.

Erflater bleek namelijk na een ruzie met zijn ouders – te maken hebbende met voormelde levensstijl – het ouderlijk huis te hebben verlaten en nadien nooit meer van zich te hebben laten horen. Meneer H. was jarenlang naar hem op zoek geweest, maar het was hem niet gelukt zijn broer te vinden.

Het was mijn voorrecht hem iets te mogen vertellen over de levensloop van zijn broer en op deze manier een postume reünie tot stand te brengen. Zo had zijn broer zich bekeerd tot het christendom en had hij enige tijd in Israel gewoond, maar ook in Oostenrijk en diverse andere landen.

Hij was aanvankelijk werkzaam in de financiële sector en vervolgens in het hoger onderwijs. Een bewogen leven, waardig om deze column aan op te dragen.

Meneer H. vond troost in de wetenschap dat de broer die hij jarenlang had moeten missen, een goed leven in Nederland heeft gehad.

LUMINIS

NALATENSCHAPSAFWIKKELING

Boedelafwikkeling

Executeursbenoemingen

Rechtbankbenoemingen tot vereffenaar

Partijadvisering bij erfrechtelijke conflicten

LinkedIn

NEEM CONTACT OP

Postbus 506

2400 AM Alphen aan den Rijn

KANTOORTIJDEN




Neem gerust contact met ons op. Wij maken graag kosteloos en vrijblijvend kennis met u.

Maandag - Vrijdag: 09:00 tot 17:00

K.v.K. 60651148

BTW-nummer NL853999910B01

© Copyright 2020. Alle rechten voorbehouden. Algemene voorwaarden | Klachtenregeling | Privacyverklaring | Disclaimer | Wij bieden onze diensten aan in

onder meer Zuid-Holland, Noord-Holland en Utrecht, waarbij we in het bijzonder Alphen aan den Rijn, Leiden, Gouda, Den Haag en Amsterdam noemen.