BLOG OVER ERFRECHT

Column ‘De Notarisklerk’ nov/dec 2019

Erfgenamenonderzoek – de Kern van de zaak

(Als gepubliceerd in De Notarisklerk van november-december 2019)

To be or not to be

To be or not to be, that is the question.”, zo spreekt de Deense prins Hamlet in William Shakespeares befaamde gelijknamige toneelstuk, terwijl hij contempleert over de kwellingen des levens en de obscuriteit van de eeuwige jachtvelden.

Shakespeare raakt hiermee de kern van het erfrecht. Immers, de in artikel 4:9 BW gecodificeerde bestaanseis ab intestato luidt:

Ten einde als erfgenaam bij versterf te kunnen optreden, moet men bestaan op het ogenblik dat de nalatenschap openvalt.

Voor het testamentaire erfrecht kijken we naar artikel 4:56 lid 1 BW. Hier heeft te gelden:

Om aan een making een recht te kunnen ontlenen, moet men bestaan op het ogenblik dat de nalatenschap openvalt.

Existentiële uitingen

Maar wanneer bestaat men?

Cogito, ergo sum” [ik denk, dus ik ben], zo redeneert filosoof René Descartes in diens werk Principia Philosophiae, daterend van 1644.

Augustinus schrijft “Si fallor, sum” [als ik mij vergis, ben ik] en binnen de vrijmetselarij kent men het adagium ‘Ken uzelve’. Allemaal uitingen van geestelijk bestaan, maar erfrechtelijk gezien bieden zij geen soelaas; ons erfrecht richt zich op het corpus, het lichaam van ons zijn.

Bestaan wordt in beginsel juridisch gedefinieerd als het (lichamelijk) ‘in leven zijn na geboorte’. De enige uitzondering hierop vindt zijn oorsprong in de nasciturus-regel, in ons rechtsstelsel vervat in artikel 1:2 BW:

Het kind waarvan een vrouw zwanger is wordt als reeds geboren aangemerkt, zo dikwijls zijn belang dit vordert.

Indien de volgorde waarin de een ophoudt te bestaan en de ander het tijdelijke voor het eeuwige heeft verwisseld niet kan worden bepaald geldt volgens de commoriënten-regel dat zij geacht moeten worden gelijktijdig te zijn overleden (zie artikel 4:2 BW).

Can’t prove a negative

Het niet-bestaan van iets kan niet worden bewezen, aldus de Oostenrijks-Britse filosoof Karl Raimund Popper (1902-1994). Hierdoor rijst de vraag: wat te doen als kan worden vastgesteld dat iemand is geboren, doch niet dat hij op het moment van het openvallen van een nalatenschap reeds is overleden? Of later is overleden?

Afdeling 1.18.2 BW handelt over personen wier bestaan onzeker is. In een dergelijk geval kan men de rechtbank verzoeken tot oplegging van de last van oproeping van de vermiste om vast te stellen dat deze in leven is. Mocht daarvan niet blijken dan geldt het rechtsvermoeden van overlijden. Noodzakelijk is wel dat alsdan minimaal vijf jaren zijn verstreken na vertrek of laatste waarneming bij leven.

Een duistere toekomst

Houdt een duister verleden ook altijd een duistere toekomst in?

Zo dient zich aan van een Nederlandse notaris, de zaak van de heer J. (1919) die laatst werd gezien in 1946 en nadien naar verluidt naar Duitsland zou zijn vertrokken. De heer J. was gedurende de Tweede Wereldoorlog lid van de Waffen SS, een paramilitaire organisatie die later een volwaardig deel werd van de Wehrmacht. Ook de lijfwacht van Hitler behoorde bijvoorbeeld tot de Waffen SS.

Onze hoofdpersoon was op grond van artikel 7 lid 3 van de wet 92 de Nederlandse nationaliteit ontnomen, zodat hij per datum uitspraak vogelvrij was verklaard. 

Essentieel is dat wordt vastgesteld wat er van hem geworden is, nu zijn afwezigheid de afgifte van een verklaring van erfrecht in de weg staat en bovendien de verdeling van een gemeenschap waaraan niet alle deelgenoten hebben deelgenomen ex artikel 3:195 lid 1 BW nietig is.

De metaforische naald in de hooiberg

Dat een duister verleden welzeker een duistere toekomst kan inhouden blijkt wel uit het gegeven dat veel na de oorlog naar Duitsland afgereisde oorlogsmisdadigers in dienst traden van de Stasi, het Ministerium für Staatssicherheit van de Deutsche Demokratische Republik (DDR).

Aldus richtten wij ons onder meer tot het Stasi-Unterlagenbehörde in Berlijn om uit te zoeken of zijn naam voorkomt op de lijst van medewerkers. Het antwoord luidt negatief. Specifieke archieven met betrekking tot de Wehrmacht gaven ook geen nadere informatie.

Voorts leverde onderzoek in de archieven van de Deutsche Dienststelle (WASt) enerzijds en een opsporingsverzoek bij International Tracing Service in Bad Arolsen en het Rode Kruis anderzijds evenmin het gewenste resultaat op.

Tot slot kwam zijn naam niet voor in het Militärarchiv van Das Bundesarchiv en leidde onderzoek in Ludwigsberg, waar documenten aangaande oorlogsmisdadigers worden bewaard, ook tot niets.

We schreven verschillende mensen met dezelfde achternaam in Duitsland aan, in de hoop wellicht een afstammeling op het spoor te komen, maar ontvingen nimmer een antwoord. Und jetzt? Slechts het doen doodverklaren, dat wil zeggen de toepassing van het rechtsvermoeden van overlijden rest ons. Natuurlijk liefst vóór de overlijdensdatum van erflater en zonder achterlating van afstammelingen.

Daartoe dient door een Duitse advocaat primair een beroep te worden gedaan doen op § 2 Verschollenheitsgesetz.

Voor wat betreft het niet bestaan van afstammelingen merken we op dat het huidige § 352 d FamFG (vroeger § 2358 BGB) uitkomst kan bieden. Op de voet van dat artikel wordt namelijk de zoektocht naar onbekende erfgenamen vastgelegd; in ons geval de vermoedelijk non-existente afstammelingen van onze alsdan doodverklaarde hoofdpersoon.

Deze procedure is nu aanhangig gemaakt.

Ich wünsche Ihnen frohe Weihnachten und ein gutes neues Jahr!

LUMINIS

NALATENSCHAPSAFWIKKELING

Boedelafwikkeling

Executeursbenoemingen

Rechtbankbenoemingen tot vereffenaar

Partijadvisering bij erfrechtelijke conflicten

LinkedIn

NEEM CONTACT OP

Postbus 506

2400 AM Alphen aan den Rijn

KANTOORTIJDEN




Neem gerust contact met ons op. Wij maken graag kosteloos en vrijblijvend kennis met u.

Maandag - Vrijdag: 09:00 tot 17:00

K.v.K. 60651148

BTW-nummer NL853999910B01

© Copyright 2020. Alle rechten voorbehouden. Algemene voorwaarden | Klachtenregeling | Privacyverklaring | Disclaimer | Wij bieden onze diensten aan in

onder meer Zuid-Holland, Noord-Holland en Utrecht, waarbij we in het bijzonder Alphen aan den Rijn, Leiden, Gouda, Den Haag en Amsterdam noemen.